Dit artikel bevat ongeveer 1041 woorden en heeft een geschatte leestijd van 6 minuten.
In dit artikel lees je
- wat Aushadha Kāla betekent;
- waarom het tijdstip van toediening onderdeel is van de behandeling;
- de tien vormen van Aushadha Kāla uit de Aṣṭāṅga Hṛdaya;
- wanneer iedere vorm volgens de klassieke teksten wordt toegepast.
De diagnose klopt. Je hebt het juiste geneesmiddel gekozen. De dosering is afgestemd op de patiënt.
Voor Ayurveda is de behandeling daarmee nog niet compleet. Daarna volgt de vraag: wanneer wordt het ingenomen?
In de klassieke teksten is ook het innamemoment onderdeel van de behandeling. Hetzelfde preparaat kan vóór, tijdens of na de maaltijd worden toegediend, afhankelijk van de aandoening, de betrokken Vāyu, de kracht van de patiënt en de gewenste werking.
Aushadha betekent geneesmiddel en kāla betekent tijd of geschikt moment. Samen verwijst Aushadha Kāla naar het juiste moment om een geneesmiddel toe te dienen. Zowel de Aṣṭāṅga Hṛdaya (hoofdstuk 13) als de Aṣṭāṅga Saṅgraha (hoofdstuk 23) beschrijven verschillende vormen van Aushadha Kāla. In dit artikel worden de benamingen uit de Aṣṭāṅga Hṛdaya aangehouden. De Aṣṭāṅga Saṅgraha gebruikt voor enkele kāla’s andere benamingen en beschrijft daarnaast nog een elfde vorm van toediening.
अनन्नम् अन्नादौ मध्येऽन्ते कबलान्तरे ।
ग्रासे ग्रासे मुहुः सान्नं सामुद्गं निशि चौषधम् ॥ १३.३७ ॥
anannam annādau madhye ’nte kabalāntare |
grāse grāse muhuḥ sānnaṃ sāmudgaṃ niśi cauṣadham || 13.37 ||
“Geneesmiddelen worden toegediend op een lege maag, vóór de maaltijd, midden in de maaltijd, na de maaltijd, tussen de happen, met iedere hap, frequent, vermengd met voedsel, vóór én na de maaltijd en ’s nachts.”
Aṣṭāṅga Hṛdaya, Sūtrasthāna 13.37
Waarom maakt timing verschil?
Een paar minuten eerder of later innemen kan in Ayurveda een andere therapeutische keuze zijn. Op een lege maag komt een preparaat direct in contact met Agni. Halverwege een maaltijd wordt het door voedsel omgeven. Na de maaltijd beweegt het mee met het verteringsproces. Voor elke situatie beschrijven de teksten een eigen toepassing.
De tien Aushadha Kāla volgens de Aṣṭāṅga Hṛdaya
1. Anannam – op een lege maag
Het geneesmiddel wordt ’s ochtends ingenomen, meestal ongeveer een uur vóór de eerste maaltijd. Omdat de laatste maaltijd de avond ervoor was, is Kapha in de āmāśaya afgenomen en neemt Agni geleidelijk toe. Eerst wordt het preparaat verteerd, daarna volgt de maaltijd.
Deze directe werking maakt Anannam geschikt voor ernstige aandoeningen, met name Kapha-aandoeningen, maar alleen bij voldoende sterke patiënten. Niet iedereen verdraagt een krachtig preparaat op een lege maag.
2. Annādau – vóór de maaltijd
Het geneesmiddel wordt vlak vóór de maaltijd ingenomen.
De teksten adviseren deze vorm bij verstoringen van Apāna Vāyu. De Aṣṭāṅga Saṅgraha voegt toe dat zij ook wordt toegepast om de dijen en onderste ledematen te versterken en wanneer een afslankend effect gewenst is.
3. Madhye – midden in de maaltijd
De patiënt eet een deel van de maaltijd, neemt het geneesmiddel in en eet daarna verder.
Het voedsel vormt een beschermende laag rondom het preparaat. Daardoor blijft de werking behouden, terwijl een sterke vīrya minder belastend is voor het lichaam. Deze vorm wordt toegepast bij verstoringen van Samāna Vāyu, aandoeningen van de koṣṭha en Pitta-gerelateerde ziektebeelden.
4. Ante – na de maaltijd
Het geneesmiddel wordt direct na de maaltijd ingenomen.
De teksten adviseren deze vorm na het ontbijt bij verstoringen van Vyāna Vāyu; na de avondmaaltijd bij Udāna Vāyu. Daarnaast wordt Ante toegepast bij Kapha-aandoeningen, aandoeningen van het bovenlichaam en wanneer een bṛṃhaṇa-werking gewenst is.
Zelfs het verschil tussen na het ontbijt en na de avondmaaltijd is therapeutisch relevant.
5. Kabalāntare – tussen de happen
Het geneesmiddel wordt tussen opeenvolgende happen van de maaltijd ingenomen.
De teksten beschrijven deze vorm bij verstoringen van Prāṇa Vāyu. Samen met Grāse Grāse worden hiervoor dīpana-preparaten toegepast, zoals cūrṇa of leha
6. Grāse Grāse – met iedere hap
Bij Grāse Grāse wordt het geneesmiddel met iedere hap van de maaltijd ingenomen.
Net als Kabalāntare wordt deze vorm toegepast bij verstoringen van Prāṇa Vāyu. De teksten adviseren hiervoor dīpana-preparaten, zoals cūrṇa of leha. Doordat het geneesmiddel samen met de maaltijd wordt ingenomen, wordt Agni niet extra belast.
Ook Vājīkaraṇa-preparaten kunnen op deze manier worden toegediend. Daarnaast noemen de teksten deze vorm bij hartaandoeningen. Het hart wordt immers beschouwd als de zetel van Rasa. Samen met het voedsel wordt het geneesmiddel snel onderdeel van de vorming van Rasa Dhātu.
7. Muhuḥ – frequent toedienen
Sommige aandoeningen vragen niet om één vast innamemoment, maar om meerdere kleine doseringen verspreid over de dag.
Muhuḥ wordt toegepast bij hoest, benauwdheid, hik, braken, overmatige dorst en intoxicaties. De frequentie wordt afgestemd op de ernst en het verloop van de klachten, los van de maaltijden.
8. Sānnam – samen met de maaltijd
Bij Sānnam wordt het geneesmiddel met het voedsel gemengd of tijdens de bereiding meegekookt.
Deze zachte vorm van toediening wordt beschreven voor kinderen en mensen met een gevoelige constitutie. Ook bij arocaka (verminderde eetlust) draagt zij bij aan smaak, eetlust en behandeling tegelijk. Omdat het preparaat samen met het voedsel wordt opgenomen, noemen de teksten deze vorm ook bij aandoeningen die het hele lichaam betreffen.
9. Sāmudgam – vóór én na de maaltijd
Bij Sāmudgam wordt hetzelfde geneesmiddel zowel vóór als na de maaltijd toegediend.
De maaltijd hoort hierbij licht en beperkt van hoeveelheid te zijn. De teksten adviseren vooral pācana-preparaten, zoals cūrṇa of leha, en noemen deze vorm onder andere bij hik, tremoren en convulsies.
10. Niśi – ’s nachts
Het geneesmiddel wordt vóór het slapengaan ingenomen.
Deze vorm wordt toegepast bij aandoeningen die zich boven de sleutelbeenderen bevinden, zoals ziekten van hoofd, nek en de zintuigen.
Een elfde vorm in de Aṣṭāṅga Saṅgraha
Naast deze tien vormen beschrijft de Aṣṭāṅga Saṅgraha nog een elfde Aushadha Kāla: Antarabhakta.
Hierbij wordt het geneesmiddel ingenomen nadat de vorige maaltijd volledig is verteerd, maar vóór de volgende maaltijd. De werking is iets milder dan Anannam, maar blijft direct. De teksten adviseren deze vorm bij patiënten met een goede Agni en onder andere bij verstoringen van Vyāna Vāyu.
Tot slot
De hoofdstukken over Aushadha Kāla maken duidelijk dat een recept in Ayurveda niet eindigt bij de keuze van een geneesmiddel. Ook het moment van toediening wordt bewust gekozen en afgestemd op de patiënt en de behandeling.
Daarna voegen de teksten nóg een laag toe: Anupāna. Ook waarmee een geneesmiddel wordt toegediend, blijkt zorgvuldig gekozen. Daar duiken we in een volgend artikel verder in.



